
Expositie over armenzorg in Midden-Groningen bij Historisch Archief
AlgemeenHOOGEZAND - Armoede is van alle tijd. Oók in Nederland en óók in de gemeente Midden-Groningen. Van armenhuizen vroeger tot de voedselbank van nu.
Tot en met het einde van het jaar is er in de vitrines van het Historisch Archief in Hoogezand een expositie te zien over de armenzorg in Midden-Groningen. Voor 1870 wonen de meeste mensen in Nederland op het platteland en in kleine dorpen. Veel van onze voorouders hebben het moeilijk: er is niet voldoende voedsel, kleding of brandstof en lang niet iedereen heeft een fatsoenlijk huis. Een mislukte oogst, oorlog, een epidemie: het maakt het allemaal niet beter en regelmatig is er hongersnood. Veel mensen zijn afhankelijk van de kerk en particuliere instellingen. Vanuit de kerk regelt de diaconie dit. Zo schakelt meester Tholen uit Kiel-Windeweer in de winter van 1845 de diaconie in. Op dat moment zijn er zeker 15 kinderen die geen brood mee kunnen nemen van huis. Ook de volgende winters zorgt de diaconie voor brood.
De industriële revolutie
Vanaf 1870 veranderen de levensomstandigheden, maar niet persé in positieve zin. Het is de tijd van de industriële revolutie. De productie verhuist naar de steden, waar de fabrieken staan. Dit zorgt ervoor dat ook de mensen naar de steden trekken. Hier moeten in korte tijd veel huizen worden gebouwd, vaak van slechte kwaliteit. Ook hier is de hygiëne slecht en er is vaak niet goed of niet genoeg eten. Daar komt nog bij dat werkdagen lang en zwaar zijn. Een ongeluk in een fabriek zit in een klein hoekje en nog steeds is men voornamelijk afhankelijk van de liefdadigheid van de rijken en de kerk.
Bescherming tegen slechte levensomstandigheden
In de 19e eeuw zijn er nog geen goede sociale wetten om mensen te beschermen tegen slechte leefomstandigheden. Vanaf 1801 wordt volksgezondheid (en hiermee armenzorg) wel opgenomen in de Grondwet. De overheidsbemoeienis blijft echter beperkt vanwege het verzet van de kerken.Het burgerlijk armbestuurNaast de kerk is er ook het burgerlijk armbestuur. Zij helpen degenen die van de kerken geen hulp krijgen. Dit zijn vaak niet persé onkerkelijken. Die zijn er namelijk bijna niet. Het zijn vaak mensen die een oppervlakkige band met hun kerk hebben of wiens gedrag de kerkelijke armbestuurders niet aanstaat. Instellingen van de burgerlijke armenzorg zijn geen gemeentelijke instellingen. Ze worden vaak bestuurd door gegoede burgers, maar de overheid houdt wel toezicht.
De armenwet van 1854
Met de Grondwet van 1848 en de Armenwet van 1854 verandert er wel iets. Armen kunnen nu alleen nog maar aankloppen bij de gemeente waar ze geboren zijn. Alleen als de kerken tekortschieten mogen burgerlijke armbesturen bijspringen. Na verloop van tijd moeten de gemeenten echter een steeds groter deel bijschieten.Er worden bedelingmaxima vastgesteld: 35 cent per week voor een alleenstaande volwassene in de winter en een gulden per week voor een gezin.
Een andere aanpak
Als er in 1873 een economische crisis ontstaat slaat de politiek om. Ze vindt nu in tegenstelling tot voorheen wél dat de overheid de taak heeft om iets te doen aan het armoedeprobleem. Dit zorgt in 1874 voor de eerste échte sociale wet: het Kinderwetje van Van Houten. In deze wet staat dat kinderen onder de 12 jaar niet meer in fabrieken mogen werken. Ook andere wetten zorgen voor betere omstandigheden, waaronder de leerplichtwet van 1901.
Van bedeling naar werkverschaffing en scholing
In de loop van de 19e eeuw is alleen bedeling niet meer de belangrijkste oplossing. Ook scholing en werkverschaffing worden onderdeel van armenzorg.Zo zijn er steeds meer werkhuizen, zoals aan de huidige Oudeweg 107 in Westerbroek. Dit huis ontstaat waarschijnlijk door het mislukken van de aardappeloogst, waarna het beroep op de diaconie steeg. Ook staat er een werkhuis aan de Nieuweweg 102 in Muntendam en aan het Oude Kleinemeersterdiepje in Sappemeer. Het armen- of werkhuis mag absoluut geen paleis zijn, het moet er juist voor zorgen dat men er een afkeer tegen krijgt. Hier leert men arbeidzaamheid, spaarzaamheid en een zedelijke levenswijze. Kinderen krijgen bovendien de mogelijkheid om naar school te gaan. Het aantal armen- of werkhuizen laat wel zien dat er genoeg mensen zijn die hulp nodig hadden. In vrijwel elk dorp vind je er wel één of zelfs twee.
Actieve armenzorg vanuit de overheid
Pas in 1912 kan de overheid actief armenzorg gaan bedrijven. Elke gemeente krijgt een armenraad. In Hoogezand-Sappemeer wordt deze voorgezeten door burgemeester Van Roijen. Als de overheid meer taken krijgt wat armenzorg betreft, raken de diaconale arm- en werkhuizen uit de tijd. Tussen 1900 en 1930 worden veel van deze huizen gesloten.
Een nieuwe economische crisis
De economische crisis van de jaren ‘30 maakt de situatie echter niet beter en daarom worden er overal crisiscomités opgericht, zoals in Noordbroek en Slochteren. Naar aanleiding van de werkloosheid ontstaat in Sappemeer de Arbeidsbeurs aan de Kleinemeersterstraat. Of deze erg effectief is valt te betwijfelen: van de ruim 3700 mensen die in 1937 en 1938 werk vinden, heeft maar 15 procent een baan gevonden via de Arbeidsbeurs.
Tweede Wereldoorlog
Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog gaat de hulp aan de armen verder, al wordt het burgerlijk armbestuur in Hoogezand opgeheven. De waarnemende burgemeester schrijft in een brief aan de Sicherheitsdienst dat het anti Nationaal Socialistische armbestuur zich aan ergerlijke Jodenbevoordeling schuldig heeft gemaakt. Dat zegt niet dat er geen hulp meer wordt geboden. Zo kan men op veel plekken bijvoorbeeld terecht bij de Centrale Keuken voor een maaltijd.
Recente ontwikkelingen
Ook nu kennen we nog armoede, ook al is deze niet altijd duidelijk zichtbaar voor buitenstaanders. Bijstand is nu de gebruikelijke term voor armenzorg. Deze wordt vanaf 1965 een recht. De Algemene Bijstandswet (ABW) vervangt de Armenwet van 1854 die in de loop der tijd nauwelijks was aangepast. Hiermee komt de armenzorg voor het belangrijkste deel bij de overheid te liggen. Maar toch blijven kerken en andere instellingen een rol spelen. Ook het Leger des Heils, de Odd Fellows en de vrijmetselarij dragen een steentje bij. Bovendien kan men nu bijvoorbeeld terecht bij de Voedselbank en Kledingbank. Ook kleinere particuliere initiatieven staan steeds meer in de kijker, zoals weggeefwinkels en -kasten.







